woensdag 25 februari 2009

Zigeuner met een muisarm

Het is alweer eind februari, de zomer begint tegen zijn einde te lopen en de Argentijnen beginnen zich te realiseren dat de vakantie bijna voorbij is. Mijn reis rondje door het zuiden van Argentinië rondde ik een week geleden af. Terug in de metropool waar het de uitlaatgassen zijn die je een kleurtje geven in plaats van de stralende zon. Het laatste stuk van m’n reis was fantastisch en slopend. Terug in de stad dacht ik aan het verschijnsel dat je soms vakantie nodig hebt na een lange reis. Ik nam rust en kreeg in plaats van een uitgerust lichaam keelontsteking. Nu ik de rust in lichaam en geest alsnog heb hervonden kan ik eindelijk weer schrijven. Over de luxe van schone kleren, de charme van kamperen, over bossen, meren en mensen. Mijn foto’s zijn ontwikkeld waardoor ik mijn oude blogberichten heb kunnen voorzien van beeldmateriaal, het verlies van camera heb ik gecompenseerd met foto’s van het internet. Een terugblik op het laatste deel van m’n reis.

...

Balansdag

Na drie dagen El Chaltén zonder douche en internet was het in het meer geciviliseerde Esquel heerlijk bijkomen. De vreemde bustijden zorgden voor de tweede keer die reis dat ik m’n tent in het midden van de nacht moest opzetten. Uitgeput plofte ik op mijn niet-meeverende-matje. Ik hoorde het die nacht druppen op m’n tent en maakte me zorgen over de huid van m’n groene huis. De vermoeidheid deed het me vergeten en verder slapen. De ochtend erna bleek mijn donkerbruine vermoeden te zorgen voor een groengele ergernis: m’n tent zat onder het hars. De campingeigenaresse probeerde me gerust te stellen met de vermelding dat alles goed zou komen met een beetje water. Ik knikte vriendelijk en vervloekte haar van binnen hoe ze een camping kon runnen onder een regen van natuurlijk lijm. Met een wilde out-of-slaapzak-look besloot ik het probleem eerst te verhelpen alvorens me te douchen. Het tentje werd verplaatst, er werd een uur geboend en alles leek weer in kannen en kruiken. Waar het niet dat mijn egaal groene tentje nu was verandert in een dubieuze camouflage print. Onder een stralende zon schoot ik in mijn ongebruikte zwembroek om vervolgens met een tas vol vieze reiskleren naar het centrum te gaan. De wasserette zal binnen enkele uren mijn garderobe verversen. Zo kon ik in de tussentijd het contact zoeken met de buitenwereld via het internet. Na dagen van rijst en campinggas zat ik die avond tevreden met mijn schone kleren een pizza te eten die ondanks zijn karton-smaak de kroon vormde op mijn stadse dag. Gezien er weinig te beleven viel in Esquel en het prachtige - Nacional Parque Los Alerces - op steenworpafstand lag, werd het plan gemaakt om de volgende dag door te reizen. Die avond shopte ik een nieuw overlevingspakket bij elkaar. Ik was klaar om terug te keren naar de natuur.

National park los Alerces

Bossen, bomen en bergen

Geroutineerd gooide ik die ochtend de spullen uit m’n tent, klapte ik met Chinese handigheid de koepeltent-stokjes in en stopte ze in het bijbehorende plastic tasje. De tent werd opgevouwen in drie delen en even later onder m’n backpak geknoopt met elastieken in vrolijke kleuren. Het hele pakket aan spullen dat bij vertrek als een blok aan m’n been voelde werd al lang niet meer opgemerkt tijdens het lopen. Mensen keken dan ook vreemd op wanneer ik in de plaatselijke kiosk m’n laatste eten voor onderweg kocht en onbewust de halve winkel vulde zonder me ongemakkelijk te voelen met m’n zichtbaar zware bepakking. Die dag bracht een busje ons naar het nationale park. Ik zit op mijn favoriete plek voorin waar ik de aanwezigheid van het voertuig soms vergeet door zijn grote raam. Ik maak vrienden met de tattoo-boy aan m’n linkerzijde en zijn charmante vriendin met neuspiercing. In het park lopen we met z’n drieën naar de gratis camping om daar die avond te eten, drinken en te slapen. Het water van het meer is drinkbaar, dus loop ik met goede wil en een lege fles naar de waterkant. Een fles vullen bij een beek of waterval is eenvoudig, maar bij een groot meer is de waterkant daarvoor te ondiep. Onhandig probeer ik op m’n bergschoenen er wat van te maken en zie ik naast me een kampeerder met zijn enkels in het water staan die binnen de kortste keren zijn fles heeft gevuld. Ik loop terug naar de tent, krul m’n broekspijpen op, doe m’n slippers aan en keer terug. Een stuk handiger, kwestie van ervaring. Die avond het vertrouwde recept: rijst, vuur, muziek en sterke verhalen. De halve dag Futalaufqen, de naam van dit parkdorpje, is genoeg geweest. We pakken de volgende dag onze spullen om ons door het busje tien kilometer verderop te laten afzetten bij – het groene meer -. De stromende rivier, het groene gras en de loslopende witte paarden maken deze gratis camping een plek om over te dromen. We installeren ons met de groep die inmiddels uit vijf mensen bestaat door de kennismaking met twee zingende Argentijnen de avond ervoor. Na een warme lunch op het kampvuur beginnen we een lange wandeling langs het meer en door de bossen. De trip die zo eenvoudig begon, begint met zijn heuvels, bomen en afwezige paden begint na een uur erg moeilijk te worden. We proberen ons een weg te banen door het naaldbos en zien pas na een uur het pad weer verschijnen. We naderen een bordje van de achterkant, draaien ons om en kijken in de richting van het afgelegde traject, - niet passeren – vermeldt het bordje, we lachen om onszelf en nemen een groepsfoto. Het eindpunt is ‘slechts’ meer van het goede in de prachtige omgeving waar alles groen lijkt, inclusief het meer. We keren terug naar de camping. Ik ga zitten en bedenk me dat ik genoeg natuur heb gezien, tijd om door te reizen naar El Bolson, de hoofdstad van de bacpackers zoals het wordt genoemd. Die avond spelen we gitaar waarmee we concurreren met de muziek van de overburen. De overburen, met zangers die voornamelijk ervaring hebben onder de douche doen me pijn in het hart, evenals hun valse kampvuurgitaren. Ik zie geen andere optie dan m’n tanden te poetsen en te gaan slapen.

Campingbuddies

Woodstock village

Het is al dagen stralend weer, dus kan ik zoals gewoonlijk m’n tentje droog inpakken. Het park gaat verlaten worden om door te reizen naar El Bolson. Met onze packpacks staan we langs de weg te wachten op ons busje. Het echtpaar dat de pendeldienst runt heet ons wederom welkom in het karakteristieke busje van ze. Het vreemde model Mercedes, dat waarschijnlijk alleen officieus op de markt is gebracht, heeft een enorme barst in de voorruit. Op de voorruit zit een microfoon geplakt in een houder van hoogpolig tapijt. Zij draagt een bodywarmer die haar meer op een Oost-Duitse fabrieksarbeider doet lijken dan een halfzus van Maxima, hij draagt een onbedoeld fancy blokjes overhemd en concentreert zich op de onverharde weg. Het opmerken van de duizendste boom en vierendertigste blauwe lucht heeft eigenlijk al lang geen zin meer. Met de naam van een aangeraden camping op m’n hand neem ik afscheid van m’n Argentijnse vrienden. We zullen elkaar de volgende dag treffen in El Bolson, de camping als ontmoetingsplek. Ik reis verder met het busje, stap over op een stadsbus en kom aan op het plein van Bolson. Er is markt en veel bedrijvigheid. Eerste zorg is zoals gewoonlijk de camping. Ik vraag wat na, loop vijf blokken en betreed een minder bedeeld gedeelte van de stad. De onverharde weg en de half afgeronde huizen geven m’n voorhoofd een ongeruste plooi. Ik word begroet door een bruin gebit en vraag me af waar de spotgoedkope camping van vijf pesos zich zal bevinden. Ineens zie ik een tuin omheind door een schutting van afvalhout. Het onafgeronde huis verdwijnt achter de aanblik van een twintigtal tenten op een stuk grond van nog geen vijftig vierkante meter. Voor een tuin is er bijzonder weinig groen en voor een camping belachelijk veel was. Ik vraag na of ik op camping –Marcella- ben en krijg van de eigenaresse, die dezelfde naam draagt als de camping of andersom, een vriendelijke bevestiging van mijn vraag. De twee tanden die haar mond sieren maken het hele plaatje er niet veel vrolijker op. Terugdenkend aan de situatie begrijp ik niet waarom ik toch ben begonnen mijn tentje uit te pakken. Met tegenzin begon ik m’n tentje op de enige beschikbare plaats te installeren. Ik dacht slechts aan de afspraak om hier mijn vrienden te ontmoeten en probeerde zo goed en kwaad als het ging m’n haringen in de grond te slaan. Het was onmogelijk. Pas na een kwartier kwam ik eindelijk tot het inzicht dat het geen goed plan was om te kamperen in een gebied dat eerder de titel sloppenwijk krijgt dan die van camping. Na dat besef wist ik niet hoe snel ik weg moest komen. Ik rolde m’n tent zo snel op dat hij niet in m’n hoesje paste en verliet de camping. Eenmaal terug in het centrum voelde ik me meer dan opgelucht en zocht ik alsnog een normale camping. Twee uur later stond ik weer op het plein. M’n tent was geïnstalleerd op een camping in een ontwikkeld gebied van de stad en ik had eindelijk weer eens van een fatsoenlijk toilet gebruik kunnen maken. Het plein betrof een grasveld dat werd gemeubileerd door een band en een overmaat aan hippies en zag eruit als de Argentijnse versie van Woodstock. Met een H&M spijkerbroek en T-shirt zou je hier een revolutionair zijn tussen de oneindige dreadlocks, Bob Marley truien en zelf gevlochten armbanden. Een goede plek om te ontspannen en te genieten. Na een tijdje ben ik moe en keer ik terug naar de camping.

Toost op de natuur

Ik steek m’n hoofd uit de tent en kijk een bruinkleurige vogel recht in zijn ogen. Hij maakt een scherp geluid dat lijkt te passen bij z’n dertig centimeter lange snavel. Ik ben er wakker van geworden en zie dat hetzelfde geldt voor de overbuurvrouw die me vriendelijk toelacht met haar ogen die nog slapen. Een douche en een paar schone wandelsokken maken me klaar voor vertrek. Ik zal de – Cajon del Azul – bezoeken. Een diepe bergkloof gevuld met water. Ik sla een lunch in en verlaat het dorp met een stadsbus. Dertig minuten later komen we aan bij het startpunt van de wandeling. Fris en enthousiast begin ik flink te stappen. Na een uur spring ik van steen naar steen om een rivier over te steken. Wanneer ik de overkant bereik zie ik een touwbrug vijftig meter verderop en lach. De zijtak van het schilderachtige beekje moet eveneens worden overgestoken, deze keer mét brug. De lange touwbrug doet denken aan een uit een strip. Een wiebelende brug waarvan stukken hout missen zodat je soms grote stappen moet zetten. Het is een plaatje. Ik pak m’n fototoestel, draai m’n rolletje naar het volgende negatief en schiet. Ik zet m’n toch voort door bossen, langs beekjes en heb zo af en toe prachtige uitzichten over het landschap. Een heerlijke wandeling die me met zijn niveauverschillen flink doet zweten in de zon. Ik pak een steil trapje en passeer een hoekig stuk berg. Iets meer dan twee uur later bereik ik de bergkloof gevuld met helderblauw water. Het ziet er mooi uit, maar weet me niet echt te roeren. Na zoveel natuur lijkt iets kleins als dit weinig indruk meer te maken. Ik zet de wandeling nog een klein stukje voort om uit te rusten bij het hostel en de camping die zich hier hebben gevestigd. De groene weide met schapen die hieraan vooraf gaat is idyllisch en de paarden die voor het hostel staan te wachten lijken er voor gemaakt. Ik sluit het hek, zoals verzocht in twintig talen. Ik betreed het prachtige houten gebouw en wordt vriendelijk verwelkomt door het personeel. Ik krijg een typisch Argentijnse – mate – van het huis aangeboden. Ik ga zitten, drink en droom weg. Ik schrijf in m’n schetsboek en rust uit voor de terugreis. Een prachtige plek om de nacht door te brengen, maar helaas heb ik er een dagtrip van gemaakt. Ook de terugreis weet ik flink door te stappen. Bij het beekje met z’n touwbrug hoor ik Jazz uit het naastgelegen café komen. Het gouden licht van de zon na zessen doet me besluiten het lokale bier te proeven. Een fris, wit biertje dat de zomeravond recht doet. Volgens de flyer bereid volgens Duitse traditie. Tijd om terug te keren naar het dorp. Met enkele – instant friends – deel ik een taxi terug. Ik ontmoet m’n oude vrienden van het nationale park, zoals vermoedt niet op de afgesproken camping; ze waren hard weggerend bij de aanblik van de ‘achterwijk’ en konden niet geloven dat ik er de nacht had doorgebracht. Gelukkig was dit ook niet het geval. Die avond was het weer het vertrouwde concept: koken, eten, drinken, muziek en mooie verhalen. Het was onze laatste nacht in Bolson. Ik loop voldaan terug naar m’n eigen camping wanneer de elektriciteit uitvalt. Ik voel me licht ongemakkelijk met de kapotte straten en bijbehorende zwerfhonden maar weet m’n weg goed te vinden bij het licht van de volle maan. De dag erna loop ik over de markt vol handgemaakte producten waaronder sieraden. Het aanbod ziet het er mooi uit en ook de verkopers kleden in hun kleurige kleren het plaatje mooi aan. Zo proberen de hippies hun eigen gebakken brood op de plank te houden. Wanneer ik terug kom op de camping pak ik met tegenzin m’n tent in. Niet vanwege het verlaten van Bolson, maar het in- en uitpakken van m’n spullen lijkt even genoeg geweest te zijn. Enkele uren later verlaat ik het hippiedorp om met de bus naar het stedelijke Bariloche te reizen.

Touwbrug

Europees Argentinië

In de bus naar Bariloche blijft de natuur om me heen schitteren met zijn bergen en meren. Bariloche en omgeving is een geliefde plek in de winter om te skiën en te snowboarden. Eenmaal aangekomen in de busterminal bel ik de nicht van een vriendin, bij haar zal ik kunnen logeren. De taxi naar haar huis dient naast praktisch vervoer eveneens als eerste excursie waarbij ik de sfeer van de stad kan proeven. Met zijn robuuste houten huizen en grijze steen uit de bergen doet de stad meer denken aan Zwitserland dan aan Argentinië. De geschiedenis van Europese immigranten verklaart hierbij alles. Uitgeput kom ik aan bij haar huis, even buiten het centrum. Nog geen half uur later sta ik op een lokaal verjaardagsfeestje met uitzicht over het enorme meer, dat het hart vormt van het Nahuel Huapi park. Het gebouw dat volledig is opgetrokken uit boomstammen lijkt een opgeblazen versie van een après-skihut. Er is weinig eten en veel drank. Het ongemakkelijke begin van het feestje heeft dan ook slechts twee uur nodig om gecompenseerd te worden met slechte muziek en vrolijke, dansende mensen. Het contrast tussen de in jurken gehulde vrouwen is traditioneel groot met de aan de kant staande – bergmannen –in hun geruite overhemden. Ik val die nacht als een blok in slaap, verwend door een matras dat ik al weken niet meer heb gevoeld. De strijd tussen de stadsmens en de hippie in me is met eenvoud gewonnen door de eerste. Na een heerlijke nacht ontbijt ik met mijn nieuwe elfjarige vriend, het zoontje van de gastvrouw. Samen pakken we de bus naar de stad zodat ik de toerist kan uithangen. De Sint Bernard reddingshonden staan op het plein met hun vaatjes aan de hals om gefotografeerd te worden door bussen vol toeristen en auto’s vol families. Ik verken de stad en voel me moe. De wereld van afritsbroeken, fotocamera’s met storende stickertjes en lonely-planet-boeken lijkt genoeg te zijn. Ik krijg weer zin en vooral energie om terug te gaan naar de echte stad. Om op te gaan in het lawaai van de stad en het zweet van de massa. Ik pak de bus terug en doe me thuis te goed aan mate en chocoladecake. Een boek en m’n schetsboek doen me wegdromen over andere plekken, mensen en werelden. ’s Avonds kijk ik DVD’s en hang ik op de bank alsof ik er al jaren woon.

Bariloche

Buenos Aires

Die zaterdag koop ik mijn busticket naar de hoofdstad. De tas wordt ingepakt, ik knipoog naar Bariloche en beloof terug te komen voor een waardiger bezoek dat de stad toekomt. Ik probeer m’n bus te vinden in de overvolle terminal die ruikt naar zweet en hotdogs. De tas in het laadruim, m’n gitaar op het bagagerek en ik in de zachte stoel die ’s nachts als half bed zou dienen. Een reis van twintig uur met een slechte variant op vliegtuigvoedsel, krakende speakers en slechte films. Het idee van de metropool stemt me vrolijk, het lezen van m’n boek nog meer. Een halve dag later zie ik op de zondagmiddag de natuur verdwijnen die plaats maakt voor de aanblik van de stad. Achterwijken, hoogbouw, snelwegen en verkeerschaos. Aan de contrasten van Buenos Aires wordt ik direct herinnert: zo’n tien minuten voor aankomst rijden we langs een van de populairste sloppenwijken van de stad, in de luxe touringcar voel ik me als een ramptoerist in een oorlogsgebied. Het warme weer met zijn hoge luchtvochtigheid slaat bij het verlaten van de bus direct op m’n gezicht. Met m’n grote backpack op de rug en m’n rugzak op de buik loop ik vertrouwd naar het treinstation in de stad die ik inmiddels zo goed ken. Mijn goede vriend Juan ontvangt me in zijn huis in het rustieke San Isidro, net buiten de stad. Zijn geairconditioneerde huis met royale tuin, deze keer met gras, is een fijne haven om thuis te komen.


Enkele uren na mijn ontspannen en vreugdevolle terugkomst denk ik aan praktische gebreken. Ik realiseer me dat ik dakloos ben, geen werk heb en geen concrete plannen voor de komende dagen, weken en maanden. Het is fijn om terug te zijn in de stad, er moet echter worden gewerkt aan enige vastigheid om houvast te bieden aan mijn Zuid-Amerikaanse leven. Als zigeuner leefde sliep ik weken op de meest verschillende plekken met soms niet meer dan de natuur en mezelf. Ik leerde hoe gedroogd fruit je lichaam sterk houdt, maar de stoelgang ongewenst bemoeilijkt. Eenmaal terug in de stad maak je dan met verassende vanzelfsprekendheid gebruik van alle middelen waar je over beschikt. Na een lange reis langs uitgestrekte vlaktes, meren, bossen, pinguïns, gletsjers, dolfijnen en bergen heb je zo aan het einde van de eerste dag terug in de stad last van een muisarm. Tekenend voor het gevaar van de moderne wereld. Ik kijk uit om Buenos Aires weer onveilig te maken en nieuwe plannen te trekken. Dit proces is al in volle gang en zal binnenkort in geuren en kleuren worden beschreven.

Geen opmerkingen: